Korte geschiedenis van het dorp Varik
Varik wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit de periode 968-971. Keizer Otto I schonk toen een hof, ‘Feldrike’ geheten, aan graaf Widergeld. Het ging om een omvangrijk complex met onder andere kerken, hoeven, akkers, bossen en visrechten. Of er toen al sprake was van twee kerken in Varik is onzeker, maar duidelijk is dat Widergeld als graaf ook kerkelijk heer was.
In een akte uit 997, van keizer Otto III, komt de naam ‘Veldricke’ opnieuw voor. De keizer schonk het dorp, samen met onder meer Lede, Ommeren en Deest, aan een nieuw te stichten klooster bij Aken. Dat klooster kwam er niet, maar er werd wel het St. Adalbertstift opgericht. Vanaf 1020 waren er kanunniken uit Aken actief in Varik. In 1198 werd nog een overeenkomst gesloten tussen het stift en haar geestelijken over de inkomsten uit de goederen in Varik, toen geschreven als ‘Waldrich’. Daarin werden ook afspraken gemaakt over schade door overstromingen.
In de 13e eeuw verloor het Akense stift langzaam invloed in de regio. Bezittingen op afstand werden verkocht, en de invloed van Utrecht nam toe. Zo beschikte de proost van Tiel in 1250 over het recht om de pastoor van Heesselt-Varik aan te stellen. Later kwamen ook de tiendrechten in handen van het Utrechtse kapittel van St. Marie.
De heerlijkheid Varik
Varik was een zogenaamde lage of dagelijkse heerlijkheid. De lokale heer had vooral taken op het gebied van ordehandhaving en toezicht op wegen, dijken en waterlopen. Ook het veer naar Heerewaarden behoorde tot zijn rechten. De heerlijkheid was lange tijd in handen van de familie Van Varick. In de loop van de eeuwen wisselde het bezit via vererving en verkoop van eigenaar. Bekende namen zijn onder andere Van Haaften, Van Dorth, Van Stepraedt en Van den Steenhuys. In 1670 wist Frans van Dorth de heerlijkheid terug te kopen. Hij woonde op huis De Hondswinkel en zou ook een belangrijke rol spelen bij de oprichting van de katholieke statie in Varik.
De Hervormde kerk en de Dikke Toren
De kerk van Varik wordt in 1250 genoemd als bijkerk van Heesselt. Het kapittel van de St. Mariakerk in Utrecht had het recht om de pastoor te benoemen en de inkomsten te beheren. In 1357 werd er met het kapittel een overeenkomst gesloten over het onderhoud van de kerk. Tijdens de Reformatie liep de kerkhervorming in de Tielerwaard vertraging op. In veel dorpen kwam pas laat een predikant. Pas in 1607 werd er een regeling getroffen om ook Varik te voorzien van protestantse geestelijke zorg. Aanvankelijk gecombineerd met Ophemert, kreeg Varik in 1660 een eigen predikant.
De robuuste Dikke Toren is het bekendste overblijfsel van de middeleeuwse kerk. De toren stamt uit circa 1300. De kerk die erbij hoorde, werd later vervangen door een kleiner gebouw vanwege een dijkverlegging. In 1880 werd iets verderop aan de Kerkstraat een nieuwe kerk gebouwd. Sinds 1997 is de toren gerestaureerd en in het toeristenseizoen toegankelijk voor publiek.
De katholieke gemeenschap
Na de Reformatie verdween de katholieke zielzorg grotendeels uit Varik. De pastoor werd in 1585 opgepakt en week uit naar Gouda. In de decennia daarna waren katholieken afhankelijk van rondreizende priesters en geheime missen bij mensen thuis. Rond 1688 kwam daar verandering in. Frans van Dorth wist toestemming te krijgen voor een katholieke statie in Varik, zodat de bewoners niet langer naar Tiel hoefden te reizen. De eerste samenkomsten vonden plaats in een aanbouw van huis De Hondswinkel. Varik groeide uit tot een regionaal centrum voor katholieken uit omliggende dorpen.
In 1732 kon een vervallen huis worden omgebouwd tot kerk en pastorie. In 1853 werd de statie verheven tot parochie van de HH. Petrus en Paulus. De huidige neogotische kerk werd gebouwd in 1879, naar ontwerp van architect Alfred Tepe.
Huis Varik en andere 'huizen'
Het Huis Varik was niet hetzelfde als de heerlijkheid. Het werd rond 1400 eigendom van de familie Van Beest en kwam later in handen van Van Zuylen van Nyevelt. Het kasteel stond aan de Waalbandijk en had het recht van de wind – er hoorde dus een banmolen bij. Die molen brandde in 1865 af en werd in 1867 iets verder van de dijk herbouwd. Het huis raakte vermoedelijk rond 1750 in verval en is rond 1800 gesloopt. Bij opgravingen zijn resten van de slotgracht en funderingen gevonden.
Er zijn in Varik nog drie andere ‘huizen’ bekend: Huis Boschstein, dat nog op 19e-eeuwse kaarten voorkomt aan de Keizerstraat, Huis Hondswinkel aan de Walgtsestraat (waar restanten van de gracht nog zichtbaar zijn), en Huis Wyenrade op de hoek van de Grotestraat en Keizerstraat. Dit laatste huis was in de 18e eeuw al een ruïne.
Middelen van bestaan
De meeste inwoners van Varik leefden vroeger van de landbouw. Vooral de aardappelteelt speelde een grote rol.
Gemeente
Tussen 1811 en 1977 was Varik een zelfstandige gemeente, inclusief het dorp Heesselt. In 1978 werd het dorp onderdeel van de gemeente Neerijnen. In 2005 telde Varik 920 inwoners.