Alle bestanden

Uw zoekacties: Archieven van de rechtsvoorgangers van het Waterschap van De...
x0459 Archieven van de rechtsvoorgangers van het Waterschap van De Linge, 1810 - 1952
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0459 Archieven van de rechtsvoorgangers van het Waterschap van De Linge, 1810 - 1952
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Geschiedenis van de organisatie
0459 Archieven van de rechtsvoorgangers van het Waterschap van De Linge, 1810 - 1952
1. Inleiding
Geschiedenis van de organisatie
INLEIDING
In deze inventaris worden de archieven beschreven van de rechtsvoorgangers van het waterschap van de Linge van 1810-1953. Het betreft een aantal elkaar opvolgende colleges met steeds een gewijzigd of uitgebreid taakveld, waarvan de oorsprong te vinden is in de aanleg van het Kanaal van Steenenhoek in 1818. De afwatering van de Linge was al sinds de middeleeuwen vaak onderwerp van grote zorg en problemen tussen Gelderland en Holland. Het grootste deel van het Rivierengebied tussen Waal en Rijn / Lek watert al eeuwenlang uit op de Linge. De Linge bestaat uit twee gedeelten. De benedenloop, stroomafwaarts van Tiel, is een natuurlijke rivier. Tot de afdamming in 1304 vormde dit gedeelte, nu bekend als de Beneden-Linge, een tak van de Waal. De bovenloop is in de late middeleeuwen aangelegd, naar aangenomen wordt in de dertiende eeuw en was nodig nadat de ringdijken in het Rivierengebied waren gesloten. Afwatering op de Waal en Rijn werd toen moeilijker. De bovenloop van de Linge (Boven-Linge) bestond tot 1952 uit twee parallelle weteringen, gescheiden door een wal. De westelijke Tielerwaard is, als laagste deel van het Rivierengebied, eeuwenlang geteisterd door wateroverlast en overstromingen. Ook dit gebied waterde op de Linge uit, met uitzondering van Herwijnen, dat rechtstreeks op de Waal uitwatert. Het beheer over de Linge, lopend tussen Doornenburg en Gorinchem, was vanouds versnipperd over meerdere beheerscolleges die meestal werden aangeduid als Lingestoelen. Vanaf 1438 waren er reglementen voor het onderhoud van de Lingevakken, Lingebrieven genoemd.
Na de watersnoodramp van januari 1809, die behalve Gelderland ook de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden ernstig had getroffen, werden onder leiding van inspecteur-generaal Blanken, diverse maatregelen in gang gezet. Deze hadden vooral tot doel om het Hollandse gebied te beschermen. De bescherming van Holland -gezien als kern van het Rijk- werd als taak van het Rijk beschouwd. Herstel van de doorgebroken dijken stond voorop. Een volgende maatregel was de verplaatsing van de Hollandse waterkering van de Noorder-Lingedijk naar de Zuider-Lingedijk Hiertoe werd een stuk Nieuwe Zuiderlingedijk tussen Heukelum en Asperen aangelegd. Er werden overlaten aangelegd in de Lingedijk boven Asperen en de Waaldijk bij Dalem. Via dit overlatensysteem en via sluizen moest het water via de westelijke Tielerwaard op de Merwede worden geloosd. De maatregelen betekenden voor de Tielerwaard meer overlast.
De versterking van de dijken zorgde door een verhoging van kwelwater in de polders, voor meer problemen met de uitwatering van het Gelderse rivierengebied. De verhoging van het peil van de Beneden-Linge betekende een gevaar voor Gorinchem. Voor de Tielerwaard werd de afwatering problematisch: de vrije afvoer van het Lingewater op Gorinchem was allang niet meer gegarandeerd. De sluis in Asperen zorgde voor een extra opstuwing van het water in de Beneden-Linge. Dit betekende dat de polders die op de Linge uitwaterden -alle polders met uitzondering van Herwijnen en Vuren- hun water steeds moeilijker konden lozen. Uit het gebied werden dan ook vele verzoeken aan Koning Lodewijk Napoleon gestuurd om de afwatering te verbeteren.
COMMISSIE VOOR ONDERZOEK VAN DE PLANNEN TOT HET GRAVEN VAN HET KANAAL VAN STEENENHOEK 1810-1817
Inspecteur-Generaal Blanken ontwikkelde het plan om de uitwatering van de Linge te verlengen naar Steenenhoek onder Hardinxveld. Na een positief advies van de minister van Waterstaat in mei 1810, gaf Koning Lodewijk Napoleon in juli opdracht om dit plan verder uit te werken . De commissie die het onderzoek moest verrichten heette voluit 'de Commissie voor onderzoek van de plannen tot het graven van het Kanaal van Steenenhoek'. In de commissie hadden vertegenwoordigers van de betrokken districten zitting, aangevuld met inspecteur-generaal J. Blanken Jzn.
Door de politieke ontwikkelingen in 1813 werd de uitvoering van de plannen vertraagd.
COMMISSIE VOOR HET KANAAL VAN STEENENHOEK 1818-1828
De klachten over slechte afwatering bleven aanhouden. Toen na de zomer van 1817 het water sterk steeg, werd het plan om de Linge te verlengen weer urgent. De koning benoemde in november 1817 een nieuwe commissie, geheten 'de Commissie voor het Kanaal van Steenenhoek'. Deze commissie kwam in april 1818 met een ontwerp voor de aanleg van het kanaal, dat 1,3 miljoen gulden zou gaan kosten. Uiteraard vormde de financiering een belangrijk punt van discussie tussen betrokken districten. De op de Linge uitwaterende polders en districten werden ingedeeld in klassen, waarbij de benedendistricten veel hoger werden aangeslagen dan de bovendistricten. Ter compensatie werd door de provincie Gelderland subsidie aan de benedendistricten verleend.
In april 1818 volgde de aanbesteding van de aanleg van het kanaal, in acht percelen en de bouw van twee schutsluizen, te Gorinchem en Steenenhoek. De aanleg van het kanaal leverde veel werkgelegenheid op: er waren maar liefst 2895 personen werkzaam. Het kanaal werd met schop, spade en pikhouweel gegraven, de grond werd met kruiwagens weggereden. De opzichters over de Kanaalwerken waren J. van der Poel, eerste opzichter en keurmeester der materialen ; A.F. Blanken, generaal opzichter, boekhouder en notulist, D.J. Hartman, klerk, J. P. Verhoef, J. Klop en G. van Lienden, opzichters. Eind 1818 werd het kanaal officieel geopend.
In 1825-1826 werd het Zederikkanaal van Vianen naar Gorinchem aangelegd. Dit zorgde voor een grotere belasting van de afvoercapaciteit van de Linge en het Kanaal van Steenenhoek. Ten behoeve van ht Zederikkanaal werd de sluis bij Arkel veranderd in een schutsluis. De waterstand in het Zederikkanaal werd geregeld door een nieuw stoomgemaal aan de Arkelse Dam. Eventueel overtollig water werd op de Linge geloosd. Hiermee was de uitwatering van de Zederikboezem verplaats van de Lek naar de Linge.
Er is altijd veel te doen geweest over de financiering van het kanaal. In 1822 werden de distrikten die meebetaalden aan de aanleg van het Kanaal van Steenenhoek als volgt vermeld in rekeningen:
- Arkel boven de Zouwe
- Vianen
- Hagestein
- Everdingen
- Terleden
- Tienhoven
- Culemborg
- Beesd
- Mariënweerd
- Rhenoy
- Acquoy
- Buren
- Asperen
- Heukelum
- Spijk
- Dalem
- Tielerwaard
- Tiel
- Nederbetuwe
- Ijzendoorn
- Zandwijk
- Overbetuwe
- Pannerden
- Gent
- Huissen
- IJzendoornse uiterwaarden
HEEMRAADSCHAP VAN HET KANAAL VAN STEENENHOEK 1829-1881
In 1828 werd besloten om de Commissie voor het kanaal van Steenenhoek om te zetten naar een permanent waterschap: het 'Heemraadschap van het Kanaal van Steenenhoek'. Het bestuur bestond uit een dijkgraaf, heemraad en secretaris-penningmeester. Het eerste bestuur bestond overwegend uit voormalige commissieleden. Tot eerste dijkgraaf werd mr. M.C. van Hall benoemd. De taak van het nieuwe heemraadschap was het beheer en onderhoud van het Kanaal van Steenenhoek.
De districten werden in het Reglement van 1829 voor het Heemraadschap ingedeeld naar het belang dat ze bij het district hadden. Hoe meer er bijgedragen moest worden, hoe meer vertegenwoordigers de districten hadden in het bestuur van het heemraadschap.
De overeenkomst uit 1818 waarbij was bepaald dat de districten 28 jaar contributie moesten betalen, liep in 1846 af. Een verlenging van de contributiebetaling stuitte op veel bezwaren, waardoor het Rijk de kosten voor het onderhoud overnam.
Hiermee waren de financiële problemen niet opgelost. Door het uitblijven van financiële steun vanuit het Rijk, voelden alle heemraden zich in april 1851 zelfs genoodzaakt om hun functies neer te leggen. (inv.nr. 314, briefnr 2137)
In 1850 waren de volgende kanaalwerken aanwezig. De Sluiswerken: Sluis te Steenenhoek onder Hardinxveld (Steenenhoekse Kanaalsluis), Sluis buiten de Arkelpoort te Gorinchem (Arkelsesluis of Gorinchemse Kanaalsluis), brug bij de Kanselpoort te Gorinchem, brug naar de Veerstoep buiten Gorinchem, brug nabij Schelluinen, brug aan de Buldersteeg te Hardinxveld
In 1863 werd naast de oude Steenenhoekse sluis een stoomgemaal gebouwd met uitwaterende sluizen, dat in beheer van het rijk was. Hiermee hoopte men de afwateringsproblemen op te lossen. Het gemaal bleek echter al enkele jaren na ingebruikneming niet krachtig genoeg. Vanaf 1867 regende het klachten over de te hoge waterstand.
WATERSCHAP VAN DE LINGE-UITWATERING 1882-1941
Per 1 januari 1882 werd het waterschap van de Linge-Uitwatering opgericht, dat als belangrijkste taak de zorg voor de uitwatering van de Linge had. Het waterschap moest het peil van de Linge op zodanige hoogte handhaven, dat de vrije uitwatering van belanghebbende landen gewaarborgd zou zijn. Daarnaast kwam het Kanaal van Steenenhoek met de daarbij horende kunstwerken, waaronder het stoomgemaal, in beheer bij het nieuwe waterschap. Het beheer van de Linge zelf was nog geen taak van dit waterschap. Dat beheer bleef versnipperd bij verschillende waterschappen.
Belangrijk in deze periode was de verschijning van het 'Lingerapport'. In 1924 was door de beide betrokken provincies een commissie ingesteld die onderzoek moest doen naar de verbetering van d afwatering. Het duurde tot 1927 voor het rapport verscheen. de belangrijkste aanbevelingen waren: de bouw van een krachtiger gemaal te Steenenhoek en het verruimen van de Boven- en Beneden-Linge. Deze werken zouden door een nieuw waterschap moeten worden uitgevoerd. Er werd een nieuw financieringssysteem voorgesteld, waarbij de gronden in vier klassen werden verdeeld. Hiertegen kwam veel protest.
WATERSCHAP VAN DE BENEDEN-LINGE 1941-1953
Al jaren gingen stemmen op om één waterschap voor het gehele Lingebeheer op te richten. Vooral de provincies zagen dit als enige manier om de gewenste verbeteringswerken uit te voeren. Dit bleek nog niet haalbaar; de minister van Waterstaat besloot in 1936 om een nieuw waterschap te vormen voor het beheer van de Linge beneden het (toekomstige) Amsterdam-Rijnkanaal en het kanaal van Steenenhoek. Dit waterschap van de Beneden-Linge werd opgericht in 1941. Gelijktijdig werd voor het beheer van de Boven-Linge een Commissie tot verbetering van de Boven-Linge ingesteld.
In de periode van het bestaan van het waterschap van de Benden-Linge werd het nieuwe gemaal in gebruik genomen en werden de eerste werken tot verruiming van de Beneden-Linge opgestart. en uitgevoerd.
WATERSCHAP VAN DE LINGE 1953-2001
In 1953 werd het waterschap van de Linge opgericht. Vanaf toen was het beheer van de gehele Linge van Doornenburg tot Gorinchem, ondergebracht onder één instelling. Het waterschap van de Linge heeft bestaan tot 2001, toen het is opgegaan in het waterschap Rivierenland. Het archief van het waterschap van de Linge van 1953-2001 is te vinden onder toegangsnummer 1473.
Bronnen:
A. Bijl, Het Gelderse water. Waterstaatkundige en sociaal-economische ontwikkelingen in de polders van de westelijke Tielerwaard (1809-1940), Vuren 1997.
A. Bijl, Het waterschap van de Linge: Het dienen van twee heren. Geschiedenis van twee eeuwen lingebeheer, Gorinchem 2001
Geschiedenis van het archief
Verantwoording van de inventarisatie
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1810 - 1952
Taal:
Nederlands
Verversingsgraad:
onregelmatig
Dekking in tijd:
1810 - 1952
Omvang in meters:
27
Openbaarheid:
onbeperkt
Toegangstitel:
betreft totaal 6 archieven, waaronder Heemraadschap van het kanaal van Steenenhoek. Inventaris door B.M. van Dijk, 2014.
Gemeente:
Waterschap
Licentie:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS