Alle bestanden

Uw zoekacties: Archief van het gemeentebestuur van Brakel, 1955 - 1998
x3208 Archief van het gemeentebestuur van Brakel, 1955 - 1998
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

3208 Archief van het gemeentebestuur van Brakel, 1955 - 1998
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
1. Geschiedenis (nog nader invullen)
2. Gedeponeerd archief van het Manhuisfonds van Poederoijen
3208 Archief van het gemeentebestuur van Brakel, 1955 - 1998
Inleiding
2. Gedeponeerd archief van het Manhuisfonds van Poederoijen
Eén van de instellingen van liefdadigheid, dat aan een beperkt aantal mensen onderstand kon bieden was het zogenaamde Manhuisfonds van Rossum. Deze stichting werd in 1567 gefundeerd door Johan van Rossum, “heer tho Puderojen und Meynertswyck”, de broer van de meer bekende Maarten van Rossum. Het fonds werd gesticht als een bejaardentehuis te Rossum, waarin twee mannen van Rossum en twee van Poederoijen zouden kunnen worden ondergebracht, verzorgd door een vrouwspersoon “...van temelicher alder die den manspersonen diene sal van wassen en alle dingen reijn te halden und voirts die koyen melcken, und dan kernne...” (... van betamelijke ouderdom, die de manspersonen zal helpen de was te doen en alles schoon te houden en verder de koeien zal melken, en vervolgens karnen...). Het huis werd betaald uit de opbrengst van de Manhuiswaard, een stuk uiterwaard onder Rijswijk (N.Br.), en een donatie van duizend Brabantse guldens, die belegd waren in goederen onder Gameren. De reden voor Johan om het fonds te stichten wordt in de stichtingsakte duidelijk omschreven: “Item zy zullen alle daigen devoitelyk mis hooren und bidden neerstig voor my Johan van Rossem, oiren collatoir voors., oick voor den gestrengen Marten van Rossem, marschalk de furstendoms Gelre geweest, en voir alders zielen, und sullen zy ten allen vier Hoigtyden ten Heyligen Sacramente gaan” (Verder zullen zij elke dag devoot de mis horen en naarstig bidden voor mij, Johan van Rossem als hun weldoener, en voor de gestrenge Maarten van Rossem, vroeger maarschalk van het vorstendom Gelre, en voor hun zielen, en zullen zij bij alle vier hoogtijden ter communie gaan).
Van de stichtingsakte is alleen een afschrift uit 1567 bewaard gebleven en dat is te vin-den in het archief van het Manhuisfonds, bewaard in het Rijksarchief in Arnhem.
Hoe lang het Manhuis als bejaardentehuis te Rossum bestaan heeft is niet nauwkeurig bekend, maar uit de rekeningen blijkt dat het aan het einde van de 17e niet meer bestond en dat de opbrengsten van de bezittingen werden besteed aan ondersteuning van de armen. Die ondersteuning bestond in uitkeringen in geld of in natura. Ondanks het feit dat Johan van Rossum in de stichtingsakte specificeert, dat het Manhuisfonds moet worden bestuurd door meerdere bestuurders, werd het feitelijk bestuurd door de heren van de heerlijkheid Rossum, dat sedert 1633 in bezit was van de familie van Randwijck. Hieraan kwam een einde door ingrijpen van de minister van binnenlandse zaken in 1852 op grond van de Armenwet van 1851. Hij dwong de toenmalige heer van Ros-sum, G.A.J. baron van Randwijck, om het liefdadigheidsfonds onder toezicht te stellen. Daarop werd een nieuw bestuur gevormd, bestaande uit de heer van de heerlijkheid Rossum als voorzitter, een lid van de gemeenteraad van Rossum en een ingezetene van de gemeente Rossum.
Het is wellicht aan de gedeputeerde staten van Gelderland te danken, dat de armen van Poederoijen mee konden delen in de uitkeringen van het Manhuisfonds. Bij een conceptregelement van 1852 merken zij op dat volgens de stichtingsbrief Poederoijen aanspraak kon maken op de helft van de revenuen van het fonds. Dit moet ook al eerder het geval zijn geweest, toen het Manhuis zelf te Rossum al niet meer bestond, maar blijkbaar was er daarvoor in Poederoijen nooit bedeling geweest. Na een lange correspondentie tussen het gemeentebestuur van Poederoijen en de provisoren (het bestuur) van het Manhuisfonds, volgt er in 1855 een overeenkomst, waarbij werd bepaald dat Poederoijen jaarlijks de helft zal ontvangen van de opbrengsten uit de Manhuiswaard te Rijswijk plus honderd gulden als eenmalige vergoeding voor vroegere aanspraken. Het Manhuisfonds te Poederoijen werd bestuurd door het college van burgemeester en wethouders van Poederoijen, na 1955 door het college van de gemeente Brakel, waar Poederoijen toe ging behoren.
De archieven van het Manhuisfonds zijn enigszins verspreid geraakt. De periode voor 1855 is terecht gekomen in het Rijksarchief in Arnhem. Na 1855 is een deel van het archief gedeponeerd bij de gemeentes Rossum en Poederoijen. Hiervan moet men zich geen al te wijdse voorstellingen maken. Bewaard zijn de rekeningen en lijsten van be-deelden, maar uit het archief valt niet op te maken op grond waarvan iemand in aan-merking kwam voor een toelage uit het fonds. Het notulenboek, dat in 1855 begint met een afschrift van de stichtingsakte en de notariële overeenkomst tussen het bestuur van het Manhuisfonds en de gemeente Poederoijen, bevat verder uitsluitend de jaarlijkse verantwoording van de financiële administratie.
Voor stukken van vóór 1956 zie archiefblok 3115. Het Manhuisfonds van Poederoijen werd in 1960 omgevormd tot een instelling van weldadigheid (als bedoeld in artikel 2c van de Armenwet) ter ondersteuning van behoeftigen in de dorpen Poederoijen en Aalst zonder onderscheid van godsdienstige gezindte. In de loop van de tijd wijzigde het in in een instelling die ondersteuning verzorgde van charitatieve, culturele en kerkelijk gebonden instellingen in Poederoijen en Aalst. De gemeenteraad van Brakel benoemde de bestuurders en stelde de jaarrekening vast.
In 1998 gaf Gedeputeerde Staten van Gelderland te kennen af te willen van de tot dan verplichte goedkeuring van reglementswijzigingen en de jaarrekeningen door GS. Bovendien kwam er per 1 januari 1999 een gemeentelijke herindeling waardoor Brakel geen zelfstandige gemeente zou blijven. Dat alles vormde de aanleiding om het fonds eind 1998 om te vormen tot een stichting (vergadering raad gemeente Brakel 14-12-1998). Wel werd daarbij getracht het historische karakter van het fonds zoveel mogelijk te behouden. De burgemeester van de nieuwe gemeente Zaltbommel en de predikant van de Hervormde gemeente Poederoijen bleven ambtshalve bestuurder (provisor) van het fonds. Bepaald werd dat overige vijf provisoren inwoners van Poederoijen of Aalst moeten zijn.
Literatuur
Kenmerken
Datering:
1955 - 1998
Plaats:
Brakel
Taal:
Nederlands
Dekking in tijd:
1955 - 1998
Verversingsgraad:
onregelmatig
Omvang in meters:
156,5
Gemeente:
Zaltbommel
Locatie:
Brakel
Licentie:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS